Wie betaalt wat
Er komen twee heffingen naast elkaar te staan, en ze gaan naar verschillende partijen. De bijtelling blijft zoals hij is: die telt bij het inkomen van de rijder op. De pseudo-eindheffing is nieuw en komt bij de werkgever terecht. Bij een DGA in zijn eigen BV betaalt hij dus feitelijk beide, maar wel uit twee verschillende portemonnees: de bijtelling privé, de heffing uit de vennootschap. Doorbelasten aan de werknemer mag niet, en een eigen bijdrage van de werknemer verlaagt de heffing niet.
De cijfers
| Onderdeel | Regel | Status |
|---|---|---|
| Tarief | 12% van de cataloguswaarde per jaar, inclusief btw en bpm | Aangenomen wet |
| Ingangsdatum | 1 januari 2027 | Aangenomen wet |
| Wie betaalt | De werkgever; doorbelasten mag niet | Aangenomen wet |
| Welke auto’s | Alle personenauto’s die niet volledig elektrisch zijn, inclusief hybride en plug-in | Aangenomen wet |
| Auto’s ouder dan 25 jaar | Grondslag is de waarde in het economische verkeer, niet de catalogusprijs | Aangenomen wet |
| Overgangsrecht | Auto’s die vóór 1-1-2027 al ter beschikking stonden: pas vanaf 1-1-2031 | Aangekondigde verlenging |
Wat er búiten valt
Drie categorieën blijven vrij, en dat scheelt veel ondernemers alles.
- Bestelauto’s, vrachtauto’s en trekkers. De heffing geldt uitsluitend voor personenauto’s. Een wagenpark met bestelbussen valt er volledig buiten, ongeacht brandstof of bouwjaar.
- Auto’s zonder privégebruik. Wordt een personenauto uitsluitend zakelijk gebruikt — ook geen woon-werkverkeer — dan is er geen heffing. Een sluitende rittenregistratie is dan het bewijsstuk.
- Auto’s die je verhuurt of verkoopt. De heffing knijpt op het ter beschikking stellen aan een werknemer. Verhuur aan klanten is omzet, geen loonvoordeel.
Daarnaast zijn er aangekondigde vrijstellingen voor vervangend vervoer bij schade of onderhoud (maximaal veertien aaneengesloten dagen), voor één periode van zeven dagen per kalenderjaar, en voor lesauto’s. Die krijgen hun definitieve vorm op Prinsjesdag, dinsdag 15 september 2026.
Rekenvoorbeeld
Je BV stelt in 2027 een nieuwe benzineauto ter beschikking met een cataloguswaarde van €50.000. De werknemer betaalt bijtelling zoals altijd: 22% van €50.000 is €11.000 bij het inkomen. Daar bovenop betaalt de BV 12% van €50.000 = €6.000 per jaar aan pseudo-eindheffing. Over een leaseperiode van vier jaar is dat €24.000 extra werkgeverslast.
Zou dezelfde auto volledig elektrisch zijn, dan is de heffing nul.
Het overgangsrecht, en waar het breekt
Stond de auto op 31 december 2026 al ter beschikking bij dezelfde werkgever, dan begint de heffing niet meteen: de aangenomen wet gaf uitstel tot 16 september 2030, en de staatssecretaris heeft de verlenging naar 1 januari 2031 aangekondigd — definitief op Prinsjesdag. Het overgangsrecht blijft ook gelden als de auto binnen die periode aan een andere werknemer van dezelfde werkgever wordt toegewezen.
Het breekt wel bij een wisseling van werkgever: gaat de auto mee naar een vennootschap met een ander loonheffingennummer, dan telt dat als een nieuwe terbeschikkingstelling en start de heffing meteen. Wie in een holdingstructuur werkt, zet de auto dus vanaf het begin in de juiste vennootschap.
Wat je dit najaar beslist
Twee vragen zijn nu actueel. Overweeg je een fossiele personenauto op de zaak, dan is vóór 1 januari 2027 ter beschikking stellen vier jaar uitstel waard. En sluit je een leasecontract, kies dan een looptijd die uiterlijk 31 december 2030 eindigt — bij 60 maanden loop je over de grens heen en betaalt de BV vanaf 2031 alsnog. De bijtellingskant staat op Bijtelling 2027, en de youngtimerroute op De youngtimerregeling in 2027.