Wanneer een holding aan de werkmaatschappij leent
Dat gebeurt meestal in drie situaties. De werkmaatschappij heeft geld nodig voor een investering. De holding heeft geld over en zet dat liever tegen rente uit. In de derde situatie wil de werkmaatschappij alvast vooruitlopen op een dividenduitkering.
De rente moet zakelijk zijn
De lening moet zakelijk zijn. De rente moet gelijk zijn aan wat een bank zou vragen (marktconform). Een renteloze lening of een heel lage rente tussen verbonden bedrijven (gelieerde partijen) keurt de Belastingdienst af. Binnen een groep is een rente van 4-7% gebruikelijk. De hoogte hangt af van de looptijd en het onderpand.
Vastleggen volgens de regels voor verrekenprijzen (transfer pricing)
Grotere groepen moeten de lening vastleggen volgens de regels voor verrekenprijzen (transfer pricing). Ze beschrijven welk bedrijf welke taken en risico's heeft (een functionele analyse). Ze vergelijken de lening met leningen tussen onafhankelijke partijen. Ook tekenen ze een leningsovereenkomst.
De fiscale gevolgen
- De holding betaalt 19% of 25,8% vennootschapsbelasting (Vpb) over de rente die ze ontvangt.
- De werkmaatschappij mag de rente die ze betaalt als kosten aftrekken. Die renteaftrek is wel beperkt. Zijn de netto rentekosten hoger dan €1 miljoen, dan geldt de earningsstrippingregel.
Verder lezen
Meer hierover lees je in holding en werkmaatschappij, geld lenen van je eigen BV en de deelnemingsvrijstelling.