De drie heffingsmomenten
Bij moment 1, de winst, geldt vennootschapsbelasting. Het tarief is 19% tot €200.000 en 25,8% daarboven. Bij moment 2, het salaris, betaalt de DGA belasting in box 1. Als normbedrag voor het gebruikelijk loon geldt €58.000. Het gebruikelijk loon is het salaris dat de DGA zichzelf minimaal moet betalen. Bij moment 3, de uitkering, geldt box 2 over dividend. Het tarief is 24,5% tot €68.843 per persoon (fiscale partners samen €137.686) en 31% daarboven. Blijft de winst in de BV, dan geldt alleen moment 1. Daardoor heb je ruimte voor fiscale planning.
Lager loon en lenen: wat het oplevert
Is het volledige loon in de opstartfase nog te zwaar voor de BV, dan mag het gebruikelijk loon lager zijn, hooguit drie jaar. De BV past dat lagere loon zelf toe en moet het kunnen onderbouwen. Zo blijft er meer geld in de vennootschap. Daarnaast kun je lenen uit de eigen BV, tot €500.000 voor jou en je fiscale partner samen. Dat is de grens van de wet excessief lenen. De eigenwoninglening valt daarbuiten. Voor privébestedingen betaal je nu weinig belasting, de afrekening komt later en het geld blijft beschikbaar waar het rendement oplevert. Het lagere loon levert de besparing op. Bij een loon van €36.000, tegenover het normbedrag van €58.000, houd je ongeveer €7.100 per jaar meer over. Keer je dat later uit als dividend, dan blijft er ongeveer €2.800 van over. De lening geeft je geld om te gebruiken. Belasting bespaar je alleen met het lagere loon. Reken het uit met je eigen cijfers. Het loon is een jaarbedrag. Wil je vooraf zekerheid, vraag dan vroeg in het jaar vooroverleg aan bij de Belastingdienst. Leg de opzet vast in één schriftelijk ontwerp en start met de quickscan.